Soms lopen het sentiment hoog op tijdens de jaarvergadering; bij multinationals net zo goed als bij de biljardvereniging. En alles daar tussenin. De onvrede en onmacht van leden of aandeelhouders wordt dan vertaald naar een besluit om niet tot decharge van het bestuur over te gaan. Dat is een belangrijk signaal. Maar wat het juridische effect ervan is, kan meevallen.

Decharge, belonen en reputatie(schade), ze hebben alles met elkaar te maken. Bestuurders die niet worden gedechargeerd ervaren dat als straf. Daarnaast lijkt decharge een hocuspocusformule om bestuurlijke aansprakelijkheid af te wenden. Aan de decharge wordt misschien wel een te hoge waarde toegekend.

Wat is de zin en de onzin van het dechargeren van bestuursleden? Een paar zaken zijn het onthouden waard:

Wat is decharge eigenlijk?
Wanneer een algemene vergadering (ledenvergadering of aandeelhoudersvergadering) besluit om aan het bestuur decharge te verlenen, dan verklaart de organisatie dat zij de bestuurders niet aansprakelijk zal stellen voor de achterliggende periode. Het is het schouderklopje aan het bestuur: bedankt voor jullie inzet afgelopen jaar.
Niemand is onfeilbaar. Dat geldt dus ook voor bestuurders. Bestuurlijke foutjes worden bedekt met de mantel der liefde.  De algemene vergadering zegent dit met decharge af als die foutjes kenbaar waren uit de informatie die met de algemene vergadering is gedeeld.

Let op: decharge werkt alleen intern. Het dekt wanbeleid en ander bestuurlijk falen niet af. Hiervoor kunnen bestuurders – ondanks decharge – gewoon aansprakelijk worden gesteld.

Geen decharge, en dan?
Bestuurders die niet worden gedechargeerd, krijgen openlijk een standje van de organisatie. Dat kan reputaties breken.
Maar of het bestuur daarmee (extra) aansprakelijk wordt en een juridische molensteen om de nek dragen is de vraag. Want het ontbreken van decharge betekent niet dat je daardoor als bestuurder automatisch aansprakelijk wordt gesteld voor alles wat er maar mis zou kunnen zijn in de organisatie. Daar is meer voor nodig, namelijk bewijs.

De echte feiten en omstandigheden tellen… altijd
De belangrijkste toetsingsnorm is of het gedrag van bestuurders kan worden beschouwd als dat van een redelijk handelende bestuurder.
Je rooft als bestuurder een maatschappelijke organisatie niet leeg voor puur eigen gewin. Je gaat als ondernemer geen verplichtingen aan waarvan je op voorhand weet dat je ze nooit kunt nakomen. Het is niet normaal om willens en wetens een groentekas van het bedrijf in te richten als wietplantage. Dat voelt iedereen op zijn klompen aan.

Het blijft een feit dat besturen niet voor bange mensen en schichtige ondernemers is.

Wim Cassée, partner HarveyBloom